Italië: de Italiaanse Alpen

De Italiaanse Alpen zijn voor Nederlanders relatief onbekend terrein. Over het algemeen gaan wij wintersporten in Oostenrijk en op zomervakantie in Frankrijk. Zwitserland kennen we wel, want daar worden we mee opgevoed.

Maar de Italiaanse Alpen worden onderschat, terwijl de Italiaanse Alpen de gehele zuidkant van de Alpen voor hun rekening nemen, vanaf Piëmont in het westen, via Lombardije en het Valle d´Aosta naar het oosten, naar Tessin en Veneto. In het noordwesten liggen de hoogste bergen: de oostkant van het Mont Blanc-massief, de zuidkant van Monte Rosa en Gran Combin.

Solitair in dit deel ligt de Gran Paradiso, met 4061m de hoogste berg die geheel in Italië ligt.Verder naar het oosten, boven Milaan, vinden we Val Grande en de grote meren (Lago Maggiore, Comomeer en Gardameer). Als we nog verder naar het oosten gaan komen we langs de Bernina-groep boven Sondrio en in het Nationaal Park dello Stelvio en de Ortler Alpen. In het noordoosten liggen de Dolomieten, bekende van de steile bergen en scherpe pieken.

De Italiaanse Alpen combineren het echte hooggebergte gevoel met goed eten, vaak goede hutten en goede faciliteiten. Het openbaar vervoer is fijnmazig en goedkoop en eten is goedkoop. Doorgaans zijn de Italiaanse Alpen ook iets droger en warmer dan de noord- of westkant van de Alpen.  Dit gaat niet altijd op: bij een echte Genua-depressie kan het vreselijk tekeer gaan en kan er veel neerslag vallen in korte tijd. Op hetzelfde moment genieten de noordelijke Alpen dan van een zuid-föhn met hoge temperaturen en droge lucht.