Wat eet je eigenlijk op een meerdaagse trektocht?

Laten we ten eerste bepalen om wat voor soort trektocht het hier gaat. Voor een huttentocht neem je doorgaans geen eten mee (behalve een snack voor onderweg). Ik ga er in het onderstaande verhaal dus vanuit dat het hier gaat om een meerdaagse tocht, overnachting met tent en koken op een gas- of benzinebrander. Hierbij nemen we voor ongeveer 3-5 dagen eten mee, wat voor de meeste wandeltochten in Europa voldoende is.

OK – Maar wat neem je nou mee?

Je zult dagen lang sleuren met de zware rugzak, totdat je weer een winkel tegenkomt. Het gewicht is dus zeer belangrijk: gedroogde maaltijden en hoogcalorische maaltijden zijn het devies! Er zijn diverse soorten gedroogd maaltijden te krijgen, bij gespecialiseerde buitensportzaken maar ook in de supermarkt of Action. Pasta’s, rijst, soepen, eenvoudige gerechten. Ik kijk altijd naar de voedingswaarde per 100g. Soepjes vallen dus af, althans als volledige maaltijd. Ik neem echter wel altijd een soepje mee: het vult aardig en vult de verloren zouten goed aan.

Maar laten we dit iets nauwkeuriger bekijken, namelijk per dagdeel:

Ontbijt: water met havermout (brinta, erg licht en het vult goed) en melkpoeder. Water haal ik meestal uit de bergrivier en ik doe hier een aantal druppeltjes Hadex Care Plus in. Dit zijn desinfectiedruppeltjes (chloor) en maakt enkel bacterien en virussen dood – geen eencellige organismes. Als het water sterker vervuild is moet je een filter gebruiken! Neem hierbij nog een pakje “hartkeks” (125g, 541kcal) Het ontbijt is op deze manier ongeveer 175 gram (drooggewicht).

Lunch: vrijwel altijd bij een berghut en neem ik niet mee. Ik neem crepes mee voor als er geen berghut voorhanden is. Pakje weegt 200 gram en bevat ~1200 kcal.

Tussendoor: ik neem altijd een flinke zak studentenhaver of nootjes mee. Dit loopt tegen de 700kcal per 100 gram en met een zak van een halve kilo heb je dus genoeg calorie beschikbaar voor een goede dag (als je alleen noten zou eten).

Avondeten: gevriesdroogde rijst of pasta, zakje soep. Dit is nog eens 150 gram per dag. In deze zakken kun je kokend water gieten, even laten staan en opeten. Let op dat dit slechts 600kcal per maaltijd zijn. Neem echter ook lekker een toetje mee: 70 gram per zakje en nog eens 300kcal.

Met bovenstaande indicatieve waardes heb je het volgende per dag:

Ontbijt: 800kcal | 175 gram * 3 dagen
Lunch: Zelf regelen | 1 pak crepes “noodgeval” 200 gram

Tussendoor: 800kcal | 500 gram (voor 3 dagen)

Avondeten: 900kcal | 220 gram * 3 dagen

Totaal energie: ongeveer 3000kcal per dag
Totaal gewicht: 1900 gram, plus in mijn geval nog poederkoffie (Nescafe Gold)

Hoe zwaar wordt mijn rugzak dan?

Het staat als een paal boven water dat rondtrekken en voorzien in je eigen eten en tent een grote impact heeft op het gewicht van de rugzak. De tent, slaapzak en mat wegen natuurlijk al een paar kilo, maar ook de brander, pan, brandstof en de maaltijden. Al met al schat ik dat zelf koken 4kg extra gewicht met zich meebrengt en rondtrekken met rugzak, tent en maaltijd in total 8kg zwaarder is dan een huttentocht.

Warme zomermaand: impact op een gletsjer

Al eerder heb ik een artikel geschreven over hoe snel sneeuw smelt. Hieruit blijkt dat hier niet zomaar een eenduidig antwoord op te geven valt. Afgelopen maand was het echter ontzettend warm in vrijwel het gehele Alpengebied. Deze week ligt het vorstniveau rond de 4600m in Oostenrijk en tot 5000m in Frankrijk. In de dalen is het op grote schaal ruim 30°C.

Dit leidt tot het ontzettend snel smelten van sneeuw. Hieronder een foto van de Grossglockner en Pasterze-gletsjer op 1 juni. Tevens een foto van de situatie vandaag, 24 juni 2019. Het is een screenshot van de website Grossglockner.at en dus net niet hetzelfde punt. De verschillen lijken me wel duidelijk.

De Grossglockner en Pasterze-gletsjer op 1 juni 2019
De Grossglockner en Pasterze-gletsjer op 1 juni 2019

Duidelijk te zien is het zwarte puin op de gletsjer, welke aan het begin van de maand nog grotendeels bedekt was door sneeuw. Dit puin geeft ook de modderige kleur aan het water. Omdat het water niet wegstroomt van de gletsjer (het wordt door een stuw tegengehouden) stroomt ook de modder niet weg. In de bovenste foto was er nauwelijks nog sprake van smeltwater en was het water blauw van kleur.

Jorasses Gletsjer

Op de flanken van Punta Whymper, één van de pieken van de Grandes Jorasses ligt onderstaande gletsjer. Deze wordt gevoed vanaf ongeveer 4200m hoogte maar heeft geen “accumulatie-bekken”. De terminus (het laagste punt) ligt rond de 3700m hoogte. Onderstaande foto’s geven een beeld van hoe deze gletsjer er uit zag op 10 juli 2018, 22 oktober 2018, 15 mei 2019 en 24 juni 2019.

22 oktober was de laatste dag van de Alpenzomer: hierna viel er sneeuw. Op 15 mei is (naar mijn inschatting) de maximale wintergrootte bereikt: het koel en nat tot dat moment. Hierna is de zomer begonnen in de Alpen.

Punta Whymper, 10 juli 2018
Punta Whymper, 10 juli 2018
Punta Whymper, 22 october 2018
Punta Whymper, 22 october 2018
Punta Whymper, 15 mei 2019
Punta Whymper, 15 mei 2019

De verschillen lijken niet zo groot, al tonen ze mijns inziens wel goed aan dat een gletsjer een “levend wezen” is. De terminus ziet er iedere keer anders uit. Deze gletsjer heeft geen echte ablatiezone, de zone waarin het smelt aan de tong. Normaal gesproken ligt de 0-gradengrens onder de terminus. Het korter worden van dit type gletsjer vind dan ook met name plaats door het afbrokkelen van ijs en het wegsmelten van het hele sneeuwdek, zoals typisch is voor hanggletsjers.

Te zien is dat aan de randen het sneeuwdek verdwenen is. De komende week ligt de 0-gradengrens rond de 5000(!) meter in dit gebied, wat zal leiden tot een uiterlijk zoals dat te zien is op de foto van 10 juli 2018: gesmolten sneeuw aan de randen en het zichtbaar worden van de breuk op 2/3 van de gletsjer. Wat nu al te zien is, is het feit dat de terminus de rotsen nauwelijks nog bereikt:

Ook is duidelijk te zien dat de terminus “minder massief” is geworden. Linksboven is een groot stuk volledig verdwenen en lijkt de gletsjer in zijn geheel minder verticaal ontwikkeld te zijn. Uiteraard is het te eenvoudig om bovenstaande feiten af te schuiven op klimaatverandering: in de eerste plaats worden ze veroorzaakt door het weer van nu en de hoeveelheid sneeuwval.

Die zijn echter wel sterk beïnvloedt door de klimaatverandering: ondanks een zeer sneeuwrijke winter zien we nu al dat de gletsjers er slechter voor staan dan vorig jaar een ruime 2 weken later – toen er ook een zeer warme zomer aan de gang was en een sneeuwrijke winter aan vooraf ging.

De komende zomer zal ik dit in de gaten houden en waar nodig aanvullingen plaatsen.

Lopen met een rugzak

Recentelijk heb ik het boek “Wild” van Cheryl Strayed gelezen. Of eigenlijk niet gelezen, maar geluisterd via Storytel in de auto. Cheryl loopt de Pacific Crest Trail, een lange-afstandsroute van de Mexicaanse grens tot de Canadese grens door de westelijke staten van de VS: Californië, Oregon en Washington. Een hoofdrolspeler in haar boek is “Monster”: een grote rugzak, gewicht onbekend, met een uitwendig frame.

Dit deed me denken aan mijn eigen ervaringen en ik zat soms hoofdschuddend, en soms met een blik van herkenning in de auto. Ik ben zelf een redelijk grote kerel (1.86) en heb de nodige rugzakervaring opgedaan in veel hikes en in mijn tijd in het leger – al is dat alweer meer dan 15 jaar geleden. Maar ook ik reis doorgaans veel te zwaar.

Lees verder Lopen met een rugzak

Lawineschalen – lawinerisico

In Europa is er een gestandaardiseerd systeem waarmee de kans op lawines wordt aangegeven. Bij dit systeem gaat men er van uit dat het gaat om off-piste skiende personen en zegt dus niets over het risico op modderlawines of aardverschuivingen. Het systeem kent 5 klasses, waarbij in klasse 1 het minste gevaar bestaat. Vanaf Klasse 3 is het risico op een lawine aanzienlijk te noemen. Het is overigens altijd raadzaam om bedacht te zijn op lawines en daar dus ook speciale uitrusting voor mee te nemen, zoals lawine-piepers en sneeuwscheppen.
Ook kan men de skistokken gebruiken om in de sneeuw te prikken en zo te voelen of er iemand onder de sneeuw verborgen ligt.

Lees verder Lawineschalen – lawinerisico

Ontstaan van gebergten

Geen berg is hetzelfde en het zelfde geldt voor de gebergten waar ze deel van uitmaken. Er zijn diverse soorten gebergten met diverse steensoorten en klimaattypes. Over het algemeen maken we een onderscheid tussen jonge gebergten en oude gebergten. In Europa zijn de Alpen en de Pyreneeën goede voorbeelden van jonge gebergten.

De Alpen en Pyreneeën zijn ontstaan door het botsen van Italië en Spanje tegen het Europese vaste land. De krachten die hier mee gepaard gaan dwingen de aardkorst omhoog, waarbij plooiingen ontstaan. Hoe sneller deze botsing plaatsvindt, des te steiler is het gebergte. Uiteraard speelt ook de grootte van deze zogenaamde aardschollen een rol. Deze factoren tezamen bepalen de hoogte en karaktereigenschappen van het gebergte. Zo is de Himalaya hoger dan de Alpen. De massa van India, welke tegen de Euraziatische plaat aanbotst, is groter dan Italië wat tegen dezelfde plaat aanbotst.

In de bergen kom je ook regelmatig kalkrotsen tegen. Vroeger maakten die bergen deel uit van de zeebodem of een rif. De hardere steensoorten zoals graniet maakten waarschijnlijk deel uit van de aardkorst zelf. Graniet is minder vatbaar voor erosie dan kalkrotsen. Dit is tevens de reden waarom je vaak graniet tegenkomt in steile rotswanden: de kalkrotsen zijn al opgelost in de regen of rivier.

Een andere karaktereigenschap van een jong gebergte zijn de steile pieken en diepe dalen. Erosie (de afbraak van de bodem als gevolg van weersomstandigheden, zwaartekracht, rivieren en gletsjers) heeft minder tijd gehad om vat te krijgen op een jong gebergte.

Een heel ander type gebergte zijn de zogenaamde oude gebergten, al hebben deze vaak dezelfde ontstaanswijze. Deze zijn overal in Europa te vinden: het Spaanse hoogland, Centraal Massief, Apennijnen, Reuzengebergte, Duitse middelgebergten, Schotland en het Scandinavisch Hoogland. Deze zijn al honderden miljoenen jaren oud en hebben veel te lijden gehad van erosie.

Kenmerken zijn de afgeronde toppen die je vaak tegenkomt in deze gebergten en relatief vlakke dalen die vaak ook breed zijn. In gebieden met veel zachte rotsen, zoals bijvoorbeeld in de Gorges du Verdon in Frankrijk worden kloven uitgeslepen door de rivieren. Daar waar de rotsen hard zijn zullen vaker hoogvlaktes gevormd worden, zoals in Noorwegen het geval is.

Er zijn echter destructievere krachten die op de rotsen in kunnen spelen waardoor zich toch kloven vormen. Dit is ook in Noorwegen het geval: door de noordelijke ligging waren de gletsjers in de ijstijd enorm. Deze hebben zich een weg gedrongen door de gebergten en hier diepe en soms brede fjorden uitgeslepen. De diepste fjorden zijn meer dan 1200 meter diep, terwijl de bergen aan de randen hiervan wel 1800 meter hoog kunnen zijn. Bovenaan deze bergen liggen vaak uitgestrekte hoogvlakten, zoals de Hardangervidda of het Finnmark-plateau.

De Duitse middelgebergten zoals de Harz, Rothaargebirge, Sauerland en Eifel vormen samen met de Ardennen en Vogezen het traditionele binnenland van Europa en behoren tot de oudste gebergten ter wereld. De Ardennen en de Eifel hebben ook een vulkanische oorsprong, evenals het Centraal Massief in Frankrijk. De erosie die in deze oude gebergten plaats heeft gevonden hebben Nederland, Vlaanderen en Noord-Duitsland gevormd, maar er ook voor gezorgd dat de Noordzee tussen Nederland en Engeland vrij ondiep is. Feitelijk is dit deel van de Noordzee een voortzetting van het laagland waarvan Nederland deel uitmaakt. In de vorige ijstijd bestond de Noordzee ook nog niet, omdat destijds de zeespiegel veel lager lag.

Een andere vorm van gebergten zijn vulkanen. Voorbeelden hiervan zijn de Etna op Sicilië of de vulkanen van IJsland. Iedere vulkaan heeft zo zijn eigen karakteristieken en vormt een unieke berg. Een van de bekendste vulkanen is de Pico del Teide op Tenerife, welke de hoogste berg van Spanje vormt. Ook de Vesuvius, Mount Fuji en Mount St. Helen zijn bekende vulkanen. Vulkanen groeien soms nog aardig aan. De Etna bijvoorbeeld groeit nog altijd door, waardoor Sicilië steeds groter en hoger wordt. Ook IJsland en sommige Hawaiian eilanden groeien nog altijd als gevolg van de vulkanische activiteit.