Sneeuw
In Nederland en België hebben we vrijwel jaarlijks te maken met sneeuw. Sneeuw kent vele soorten en vele samenstellingen. Ze hebben allemaal een aantal dingen gemeen: het is wit, koud, kristalvormig en veroorzaakt voor de een veel plezier en voor de ander veel overlast. Over het algemeen is het zo dat 1mm neerslag (1 liter water per vierkante meter) 10 maal zoveel sneeuw oplevert. 1mm neerslag is dus 1cm sneeuw. Verder heeft sneeuw een zeer sterke geluidsdempende functie, waardoor een besneeuwde wereld veel stiller is dan een niet besneeuwde wereld. Ook reflecteert sneeuw veel licht en isoleert het de bodem. Een dek van 10cm sneeuw zorgt ervoor dat er geen warmte meer uit de bodem ontsnapt naar de luchtlaag er boven. Boven de sneeuw kan het ’s nachts dus enorm snel afkoelen. Dit gebeurde ondermeer in januari 2009, toen het in Limburg meer dan 20 graden vroor boven een vers sneeuwdek. Ook op 25 maart 2005 koelde het extreem af, tot meer dan 20 graden vorst in Marknesse (Noordoostpolder) boven een sneeuwdek van enkele tientallen centimeters dik.
Soorten sneeuw
Natte of smeltende sneeuw
Natte sneeuw is sneeuw die al een eindje gevorderd is in zachtere lucht. Het is begonnen met smelten en bestaat voor het grootste deel uit vloeibaar water. Natte sneeuw valt vooral bij temperaturen rondom het vriespunt en kan al ontstaan bij temperaturen onder de 6°C. De vlokken zijn groot en kunnen een behoorlijke belemmering voor het zicht opleveren. Bij grote intensiteit kan er een (aanzienlijk) sneeuwdek ontstaan. Het bekendste voorbeeld stamt uit 2005: op 25 november viel er in het midden en oosten van Nederland gedurende de hele dag een aanzienlijk dek van natte sneeuw. Deze sneeuw is erg zwaar en levert een relatief klein sneeuwdek op. In de omgeving van Apeldoorn viel bijvoorbeeld 90mm neerslag, wat slechts 30cm sneeuw opleverde.
Droge sneeuw
Droge sneeuw valt wanneer de neerslag in alle luchtlagen onder de 0°C blijft. De vlokken worden steeds kleiner naarmate de temperatuur lager wordt en bevat minder water. De sneeuw is zeer luchtig en 1mm neerslag kan tot wel 2cm sneeuw betekenen. Dit dek klinkt zeer snel in nadat het is ontstaan en wordt dan compacter. Droge sneeuw kraakt meer dan natte sneeuw. Als het kouder is wordt de toonhoogte hoger. Deze sneeuw heet in de wintersport vaak poedersneeuw als deze vers is gevallen. Door de wind kan deze sneeuw enorm verstuiven.
Poolsneeuw
Poolsneeuw kan vallen bij temperaturen onder de -8°C onder heldere, windstille omstandigheden. De waterdamp in de lucht condenseert spontaan tot sneeuwkristalletjes, waardoor de lucht gevuld lijkt met ijsnaaldjes. Dit is poolsneeuw. Poolsneeuw laat nooit een groot sneeuwdek achter.
Motsneeuw
Net als motregen bestaat er ook motsneeuw. Dit is sneeuw bij zeer lichte intensiteit met kleine vlokken. De temperatuur ligt altijd onder nul: de vlokken zijn zo klein dat het bij temperaturen boven nul direct regen zou zijn.
Uitsneeuwende mist
Als het heel mistig is kan de mist gaan uitsneeuwen. Dit zie je vooral in industriegebieden en steden, waar de verbranding van fossiele brandstoffen zorgt voor extra vervuiling in de lucht. Deze vervuiling doet de mist samenklonteren, waardoor de mistdruppels te zwaar zijn om te blijven hangen. Dit kan tot enorme lokale verschillen leiden en tot een aardige accumulatie van sneeuw. In Oss heb ik in de winter van 2008 een sneeuwdek van enkele centimeters kunnen meten als gevolg van uitsneeuwende mist, terwijl er enkele straten verderop geen spoor van sneeuw te bekennen was.
Stuifsneeuw
Dit is geen neerslagsoort, maar het gevolg van een harde wind en droge sneeuw. Lokaal kunnen grote sneeuwduinen ontstaan, die verkeersbelemmerend kunnen zijn of zelfs hele dorpen kunnen afsluiten van de buitenwereld. Dit gebeurde onder andere tijdens de sneeuwstormen in 1979 in het noorden en oosten van Nederland. |